De apostel Paulus schrijft (1 Korintiërs 14, 2-5): “Iemand die in klanktaal spreekt, spreekt niet tot mensen maar alleen tot God. Niemand kan hem verstaan, want door toedoen van de Geest spreekt hij onbegrijpelijke taal. Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen, en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend. Iemand die in klanktaal spreekt is daar alleen zelf bij gebaat; iemand die profeteert doet dat ten bate van de gemeente. Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente er baat bij heeft”.
Vroeger kon liturgie alleen gedaan worden door priesters. Gelovigen mochten erbij zijn met aandacht en vooral eerbied. Omdat alles verricht werd in een taal die ze toch niet begrepen, namen ze aan de liturgie maar heel beperkt deel. Het Tweede Vaticaanse Concilie begreep dat zoiets niet langer kon en heeft de liturgie van eigenaar veranderd. Het schrijft: “De riten in de liturgie moeten van een nobele eenvoud zijn. Zij moeten doorzichtig zijn door hun beknoptheid, en onnodige herhalingen vermijden. Zij moeten aangepast zijn aan het bevattingsvermogen van de gelovigen, en in het algemeen niet veel uitleg nodig hebben”. Liturgie is dus van de mensen geworden.
In de Wegel is de liturgie daarom zo aansprekend, stralend, doorzichtig en diepgelovig dat ze voor alle mensen die er naar toe komen heel duidelijk het gevoel laat: dit is onze liturgie. En bovendien is ze tegelijk profetisch omdat ze voortdurend Gods droom en het concrete leven van mensen bij elkaar houdt. Jij bent in die liturgie welkom en onmisbaar.